Het atoommodel van Rutherford

Aan het begin van de twintigste eeuw gonzen de laboratoria voor fysica over de hele wereld met experimenten rond het pas ontdekte verschijnsel van radioactiviteit. Aan de universiteit van Manchester werkt Hans Geiger, assistent van Ernest Rutherford, aan een toestel om individuele alfa- of bètastralen te detecteren. Hij vindt de naar hem genoemde geigerteller uit.
In 1909 voert hij met Ernest Marsden een experiment uit om het model van Thomson te toetsen. Ze schieten alfadeeltjes uit radioactief radium op een metalen folie en meten de hoek waarin deze deeltjes verstrooid worden. Een scherm bedekt met zinksulfide licht op als er een deeltje op botst. Ze stellen vast dat de afbuigingshoeken groter worden met stijgende atoommassa van de atomen in de folie. Met een goudfolie van ongeveer 6.10-7 m worden sommige deeltjes over meer dan 90° afgebogen!

Zo’n grote afbuigingen zijn niet te rijmen met het plumpuddingmodel van Thomson . Rutherford vergelijkt het met een kanonbal die door een blaadje papier wordt teruggekaatst. In 1911 komt hij met een eigen atoommodel: het atoommodel is voor meer dan 99 % lege ruimte, in het centrum ervan bevindt zich een enorm zware kern met een positieve lading die ongeveer gelijk is aan de helft van de atoommassa en een diameter heeft die kleiner moet zijn dan 3.10-10 m. Daarrond cirkelen de elektronen. Het planetenmodel van het atoom is geboren. In 1913 worden de voorspellingen die Rutherford uit zijn nieuwe model afleidt stuk voor stuk door een ander experiment van Geiger en Marsden bevestigd.