Ontdekking van de radioactiviteit

Het verschijnsel radioactiviteit werd kort na de ontdekking van de X stralen in 1896 bij toeval ontdekt door de Franse natuurkundige Antoine Henri Becquerel (1852-1908). Bij zijn onderzoek ging Becquerel verder op de ontdekking van de X straling door Röntgen. Hij veronderstelde dat wat Röntgen had gevonden op de een of andere manier te maken had met het verschijnsel fluorescentie: na absorptie van zonlicht zouden bepaalde materialen de geabsorbeerde energie kunnen uitzenden in de vorm van X-straling. Hij onderzocht dit door onder andere een uraanzout (kaliumuranielsulfaat) aan zonlicht bloot te stellen en dan bovenop een in zwart papier gewikkelde fotografische plaat te leggen. Hij verwachtte dat op deze platen na het ontwikkelen een zwarting te zien zou zijn, veroorzaakt door emissie van X-straling door het uraanzout.

Deze veronderstelling bleek niet juist te zijn, zoals duidelijk werd toen hij dit experiment op 26 en 27 februari 1896 deed zonder zonbelichting.. Tot zijn verbazing zag hij na de ontwikkeling scherpe afbeeldingen van de brokken uraanzout op de fotografische plaat Die konden dus niet door fluorescentie veroorzaakt zijn, maar moesten het gevolg zijn van een tot dan toe onbekende eigenschap van het uraanzout.

Verdere experimenten toonden aan dat deze brokken uraanzout  uit zichzelf verschillende soorten straling uitzenden. Becquerel gebruikte daarbij een apparaat met een magnetisch veld waarvan de veldlijnen loodrecht op de uitgezonden straling staan.

In het algemeen geldt dat bewegende geladen deeltjes in een magnetisch veld worden afgebogen in een richting die loodrecht staat op de richting van het veld en op de bewegingsrichting van het deeltje. Positief en negatief geladen deeltjes worden in tegengestelde richtingen afgebogen. Becquerel ontdekte op die manier dat er drie soorten deeltjes worden uitgezonden: positief geladen, negatief geladen en neutrale deeltjes

Deze ontdekkingen waren voor het echtpaar Pierre Curie (1859-1906) en Marie Curie-Sklodowska (1876-1934) aanleiding om naar andere stoffen met soortgelijke eigenschappen te zoeken. Inderdaad konden zij uit ruw uraanerts twee andere elementen –polonium en radium –extraheren, waarvan vooral het laatste zeer actief was. De Curies noemden het vermogen van bepaalde stoffen om deze doordringende straling

uit te zenden ‘radioactiviteit’

Kaliumuranylsulfaat, zippeiet
De fotografische plaat van Becquerel waarop het effect van blootstelling aan straling zichtbaar werd.

Een deeltje met elektrische lading q komt van links met snelheid v. Een magneetveld  B is naar de waarnemer toe gericht (pijlpunt in cirkel)